Genesis 1,20-23 De eerste dieren: dieren in het water en in de lucht

De eerste dieren: dieren in het water en in de lucht
Genesis 1,20-23
20 God zei: ‘Laat het water wemelen van levende wezens, en laten er boven de aarde, langs het hemelgewelf, vogels vliegen.’ 21 En God schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en alle soorten vogels, alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. 22 God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’ 23 Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag.

Vroeger vroor het soms flink. Een dikke laag ijs bedekte het water. Als de dooi was ingevallen en het ijs verdwenen, dan zag ik vaak dikke dode vissen drijven. Hun dood had een natuurlijke oorzaak. Maar weet je dat ook door het ingrijpen van mensen veel dieren in het water en in de lucht sterven?

Denk aan dieren in rivieren, meren en zeeën. Kunstmatig laag gehouden waterstanden zorgen voor droogte en minder leven. Vervuiling doodt planten en dieren. Al ons plastic in zeeën en oceanen tast het leven in het water aan. Door ons is er veel leven uit het water verdwenen.

Denk aan dieren in de lucht. Niet alleen vogels, maar ook vlinders, libellen, en alle vliegende insecten. Zij hebben het moeilijk. Alleen al in Europa worden elk jaar meer dan 50 miljoen wilde vogels doodgeschoten in de jacht. Vooral trekvogels. Van 1992-2005 is het aantal vlinders in Nederland met 40% afgenomen. Vroeger hing de vlinderstruik vol met vlinders. Als je dat nog weet dan zie je het verschil. Onderzoek in Duitsland gaf aan dat het aantal vliegende insecten sterk is afgelopen sinds 1990. Een afname met 75%.

Wat zou God daarvan vinden? Toen God land, zee en lucht scheidde, toen maakte Hij voor elk domein zijn eigen diersoorten. De aarde moest vol worden van dieren op het land, in het water en in de lucht. God wil dat het krioelt van dieren in het water en in de lucht. Als God later mensen maakt, dan geeft Hij hen de verantwoordelijkheid om dat proces te bewaken. Werk jij mee, tegen milieuvervuiling en voor natuurherstel?

Genesis 1,16-19 Dag en nacht

Dag en nacht
Genesis 1,16-19
16 God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren. 17 Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde, 18 om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was. 19 Het werd avond en het werd morgen. De vierde dag.

Voordat God dieren en mensen maakt stelt Hij het ritme van dag en nacht in. Op de vierde dag koppelt God zon en maan aan dat ritme. Dat ritme van dag en nacht die elkaar afwisselen, dat hebben wij nodig. Dat ritme is geen gevangenis, maar een zegen.

Stel dat je elke dag tot in de late uren doorwerkt. Er is zoveel werk te doen. ’s Avonds kun je rustig werken. Een paar bakken extra koffie houden je wakker. Je bent tevreden over al het werk dat je verzet. Maar zo leef je ten koste van je gezondheid.

Stel dat je ’s nachts acht uur op je bed ligt. Je slaapt, of je hoopt dat je slaapt. Je denkt: acht uur nachtrust is toch genoeg voor een mens? Maar overdag heb je geen rust. Je jaagt de hele dag door. Je staat altijd aan en nooit uit. Dat is niet goed. Denk aan een mixer. Als je die de hele dag aan hebt staan en aan het mixen bent, dan raakt je mixer oververhit.

Wij mensen hebben een aan-stand en een uit-stand. We hebben de uit-stand nodig om op te laden voor de aan-stand. Actief zijn is belangrijk. Rusten is net zo belangrijk. Gods instelling van dag en nacht wijst op dat belang.

Voor een gezond bioritme hebben wij het onderscheid tussen dag en nacht nodig. Geen 24/7 economie. Wel: Laat de nacht haar werk doen om je lichaam en je geest tot rust te brengen. Draaf niet de hele dag door. En leidt je nacht in door op tijd te stoppen met werken, eten en achter je scherm zitten.

Genesis 1,14-16 Lichtdragers

Lichtdragers
Genesis 1,14-16
14 God zei: ‘Laten er lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten dienen als tekens die de feesten (de vastgestelde tijden) aangeven en de dagen en de jaren, 15 en als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het. 16 God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren.

Het licht was er al. God had het licht gemaakt. Het licht is sterker dan de duisternis.
Dag en nacht waren er al. God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht.
Wat verandert er dan op de vierde dag? God verbindt het licht aan lichtdragers. God schept zon, maan en sterren. Zij stralen het licht uit of weerkaatsen het licht.

Gezien vanaf de aarde zijn de zon en de maan de grote lichten. Tegenwoordig weten we dat de aarde draait om de zon. Daar doet de aarde een jaar over. Dat noemen we de omloop van de aarde. Doordat de aarde om de zon draait leven wij met verschillende seizoenen. De feestkalender voor Gods volk in het Oude testament was gekoppeld aan de tijden van het jaar.

De aarde draait ook om haar eigen as. Dat noemen we rotatie. Doordat de aarde om haar eigen as draait is het bij ons afwisselend dag en nacht.

Dan heb je nog de maan. De maan draait om de aarde. In iets minder dan een maand. De maan draait ook om zijn eigen as.

Wat zit alles ingenieus in elkaar. Zijn de aarde, de zon, de maan en de sterren vanzelf op hun plek terecht gekomen? Nee, er zit íemand achter. Iemand met een plan. Iemand die op de aarde leven geeft. Gód heeft al dat moois gemaakt. God laat de zon heersen over de dag en de maan over de nacht. Zij heersen in dienst van God de hoogste Koning. Hun heersen is een vorm van dienen: ze dienen de aarde, mens en dier.