Bid en werk (Marcus 1,36-37)

Bid en werk
Marcus 1,36-37
Maar Simon en de anderen die bij hem waren, gingen hem vlug achterna, en toen ze hem gevonden hadden zeiden ze tegen hem: ‘Iedereen is naar u op zoek!’

Wat mankeert ze? Waarom gunnen Simon en de anderen Jezus geen gelegenheid om te bidden? Zijn zij zulke activisten? Willen ze dat Jezus scoort door daden? Je hebt toch ook verstilling nodig voor het aangezicht van God?

Maar waarom word ik zo kwaad op hen? Heb ik dat dan ook, dat ik graag uitblink in daden, mezelf verwijten maak als die níet uit mijn handen komen, en het moeilijk vind om in de stilte bij God te zijn? Ben ik eigenlijk kwaad op mezelf als ik rust bij God, omdat ik mezelf verwijt dat ik dan te weinig doe? Vind ik mezelf lui? Blijkbaar ben ik gevoelig voor zulke geluiden. Maar als ik bij de Vader ben en oefen in er zijn, dan beteken ik veel meer voor de mensen om me heen, dan wanneer ik hol en draaf en aan mezelf en hen voorbijloop.

Er is geen tijd voor bidden. Het werk wacht. Lopen ze dan niet het gevaar dat ze zelf ook zo gaan doen? Ze komen op bezoek en halverwege moeten ze alweer naar de volgende. Ze zijn steeds achter adem. Hun onrust dragen ze alleen maar over en daar wordt niemand beter van.

Denk aan Maria en Marta: Maria had het goede deel gekozen. Nu zucht ik van verlichting: Het mag dus wel. Leer mij dat het ook van mijzelf mag, Heer: stil worden bij U en rusten bij U, om van daaruit in uw dienst te treden. De kerk is van U, Heer. U slaapt nooit. Jezus zal als Opperherder altijd waken. Ik zucht: vanuit die rust mag ik mijn werk doen voor Hem.